Markus 2 en 3

Markus – Hoofdstuk 2

Jezus verkondigd de heilsboodschap in een huis waar mensen op af waren gekomen. Vier vrienden brengen een verlamde man via het dak het huis in, naar Jezus. Eerst vergeeft hij de zonden van de man en daarna geneest hij de man. Jezus gaat in discussie met de farizeeërs hierover. Jezus trekt daarna verder en mensen gaan hem achterna. Hij vraagt Levi de tollenaar met hem mee te gaan. Later eet hij bij hem thuis, waar ook zondaars aanwezig zijn. Hier maken de farizeërs opmerkingen over.

Op een dag lopen ze door het land en discussiëren de farizeeërs over het vasten en dat de volgelingen van Jezus de zondag rituelen misbruiken.

Markus – Hoofdstuk 3

In de synagoge geneest Jezus de verschrompelde hand van een man. De Farizeeërs vinden het maar niks en maken plannen om Jezus uit de weg te ruimen.

Uit de wijde omgeving kwamen mensen en zieken op hem af. Jezus stelt twaalf apostelen aan.

Toen Jezus in een huis zat om te eten, is het zelfs zo druk dat ze niet konden eten. De farizeeërs proberen Jezus onderuit te halen door te zeggen dat hij bezeten is. Jezus’ weerwoord hierop is dat de satan zichzelf niet kan uitdrijven. Familie van Jezus sturen iemand het huis in om te vragen of hij naar hun toe komt, ze vinden het niet normaal dat hij zelfs niet rustig kan eten. Zijn reactie; ik ben hier al bij mijn familie; dat zijn de mensen die Gods wil doen!